Leerhuis- en Liturgie Lier

Ook gekend als "de brug"

Varia

 

Geschiedenis van de kapel: Bij de Coletinen

Op 2 februari 1836 arriveerden 6 Arme Claren of Coletinen uit Brugge te Lier en betrokken een huis op de Kaai (nu Zimmerplein) dat Jos Verhaegen, een ongehuwde Lierse huidenvetter, voor hen ter beschikking stelde. Reeds op 7 september van hetzelfde jaar werd de eerste steen gelegd van een definitief klooster aan de Capucienenvest. De grond ervan was eveneens door dezelfde Verhaegen gekocht en behoorde tot het vroegere Capucijnenklooster. De zusters namen er hun intrek op 17 augustus 1839.

Eind september 1914 gingen ze op de vlucht voor het oorlogsgeweld naar Nederland en keerden pas terug in 1919. Ondertussen was het klooster duchtig vernield. Ze vonden dan ook tijdelijk onderdak in het begijnhof. Men bleef niet bij de pakken zitten: er werd vlug gedacht aan een wederopbouw, de plannen van architect E. Careels werden goedgekeurd. In 1923 konden zij terug verhuizen naar de Capucienenvest, naar het zogeheten “Stalleke van Bethlehem”. Op het kapeldak aan de kant van de binnenplaats is dit jaartal nog duidelijk te zien. De vroegere pastorie naast het klooster werd opgetrokken ca. 1925.

De Clarissen, in 1212 gesticht als tweede orde door de H. Franciscus en de H. Clara, werden
later hervormd door de H.Coleta van Corbie (1381-1447 te Gent), vandaar “Coletinen”. Zij splitsten zich na een tijd in twee richtingen. De Rijke Claren mochten bezittingen hebben en werkten in dienst van anderen. De Arme bezaten niets en leefden van aalmoezen.

In 1927 waren er 24 Coletinen in Lier. Zeventien “binnen- of slotzusters” wijdden zich volledig aan het gebed en werden tweemaal daags bevoorraad met voedsel langs de trommel. In geval van nood konden ze de noodklok luiden. De 7 “buitenzusters” stonden in contact met de buitenwereld, verrichten arbeid, gingen bedelen en zorgden in de beginperiode ook voor onderwijs aan arme meisjes.

Te Lier kende men tot voor kort de gewoonte om “eieren naar de Coletinen te brengen” om goed weer af te smeken. Ook lieten meisjes in verwachting het doek van de H.Coleta opleggen voor een spoedige bevalling. De huidige zogeheten kapittelzaal was vroeger de kapel van de slotzusters. Zij volgden langs een tralievenster de diensten in de kerk (nu kapel). Aan de voorgevel bemerkt men een O.L.Vrouwbeeld, vermoedelijk uit de zestiende eeuw. In de tuin bevindt zich nog een beeld van Moeder en Kind van M.Van Reeth uit 1954. De huidige voorzijde (nu het Verdiep) was de vroegere portierswoning.

In de tachtiger jaren was het kloosteraantal zodanig afgeslankt dat de zusters besloten “het Stalleke van Bethlehem” te verlaten. Een aangepast kloostertje, naast het huidige, werd op 18 september 1991 door de bisschop ingezegend. De restauratie van het klooster en de tijd van Brug was nu aangebroken.

(Wim Boschmans)